Episode Transcript
[00:00:06] Speaker A: Hartelijk welkom allemaal weer voor de laatste aflevering van deze studie over de voorrechten van Israel, tenminste zelfs Paulussen benoemd in Romeinen 9. We zullen nog spreken over de eredienst en de belofte.
En de vaderen en als sluitstuk noemt Paulus dan de gezalvde, de Christus, die naar het vlees ook uit hen is. Die is boven alles God te prijzen tot in eeuwigheid. En dan zegt hij, maar het is niet mogelijk dat het woord van God vervallen zou en dan... heb je een tekst die we ook anders zouden kunnen lezen om een beetje eenheid in zijn betoog te halen, om het zo eens te zeggen.
Nou, voor hen is de eredienst, misschien dat we ons er niet altijd bij nadenken, maar... Godtroond of de lofzanger van Israël, zegt Psalm 22.
Terwijl de wereld van God vervreemd was, zeg ik altijd, terwijl het donker was in de wereld, waar de hele wereld hun eigen gemaakte gode achterna ging of geen gode, wat ze precies deden weet ik ook niet, tot in de finesses, maar was er op één plek het licht aan.
En dat was in Jeruzalem, daar stond de tempel. Daar werden de psalmen geschreven, daar werden ze gecomponeerd, daar werden ze gezongen. En daar werd God geëerd. God troont op de lofzanger van Israël. En als Paulus zegt van hen is de eredienst, dan is die eredienst nog steeds gaande. Die is niet afgeschaft met de hemelvaart van de Heer Jezus of met pinksteren.
Nee, die eredienst gaat nog steeds door.
In het jaar 70 zal de tempel, maar dat hebben we de vorige keer gezegd, zal hier verwoest worden door de daarstenis die dan over het volk heen komt.
Door Rome, de zetel van de demonen, de zetel van de Satan, zo zal Johannes daarover spreken.
En wat je dan ziet later in de kerk, Als we ons hebben losgemaakt uit de synagoge dan zie je dat in de Romeinse katholieke kerk men veel meer de plaats van de tempel heeft doorgezet. Daar heb je dan ook priesters en een altaar en dat in de protestantse traditie men veel meer aansluiting heeft gezocht bij de synagoge. De kerk is ook een plek van ontmoeting en daar gaan de schriften open en daar worden de schriften uitgelegd en verkondigd. Maar Psalm 22 is natuurlijk niet weg.
Je kunt niet zeggen nu troont God op de lofzangen van de kerk en nou troont hij alleen nog maar op de lofzangen van de kerk. Er staat nergens dat dat zo is. God troont nog steeds op de lofzangen van Israël en Israël gaat ook in de gebrokenheid van het niet bestaan van de tempel en het nog niet aanwezig zijn van een nieuwe tempel gaan ze door met het met het reciteren van de psalmen en met de lofprijzingen drie keer per dag.
van hen is de eredienst, heilige christenen.
Duizend jaar voordat jullie kwamen kijken werd de lof des heren aangeheven in Jeruzalem, in het midden van Israël.
En die psalmen spraken trouwens ook over jullie.
Daarmee komen we bij de volgende, bij de zesde voorrecht en dat zijn de beloften. Dat lijkt natuurlijk een beetje op de verbonden.
Je zou kunnen zeggen dat veel van die beloften die God beloofd heeft aan zijn volk ook binnen de kring van de verbonden uitgesproken zijn. Wat zijn die beloften?
Die beloften Ja, er zijn er zoveel, maar één van die beloften is Jezaja 54, waarin de Heer zegt, bergen mogen wijken en de heuvelen mogen wankelen, maar mijn vredesverbond met Israël niet.
Of Jeremia 31, als je wat verder leest.
Al zou de nacht of de dag niet meer bestaan, al zouden de planeten hun licht niet meer geven.
Dat is onvoorstelbaar. Nou, zo onvoorstelbaar is het dat Israël niet meer mijn volk zal zijn.
Dan zijn er toen beloften over de eindtijd. Zoals je zei, ja elf. De wolf zal met het lam verkeren en een kind zal spelen bij het hoofd van een adder. Dat kan dan zo maar.
En de vreester is heren, de eerbied voor God, alle knie zal zich voor hem buigen, zal de aarde bedekken zoals de wateren de bodem van de zee. Dat is een belofte aan Israël, dat er straks nog maar één God beneden zal worden. Vandaar het verzet van de oude machten, van de oude demonen, die waar ze de kans krijgen zich verzetten.
tegen tegen dat toekomstbeeld. Dat mag niet gebeuren in hun gedachte dat straks de God van Israël de enige zal zijn en de rest ontmarskt zal zijn als schuwelen, als afgoden.
Psalm 117.
Paulus citeert dat zelf ook in de Romeinenbrief als hij zegt, weet je wat jullie moeten doen? Jullie moeten niet kibbelen over wat je eet.
Heidegistenen doen dat wat anders dan de kinderen van Israël die de geboden van God daarover volgen.
En misschien is het goed dat heidenen dat ook doen, maar daar gaat het nou niet over. Maar wat jullie zouden moeten doen is samen, bij alle verschillen die er nu nog zijn, samen God eren. En dan citeert hij Psalm 117.
dat de volkeren de God van Israël zullen geloven. Dus het feit dat die heilige christenen er nu bijgekomen zijn, dat ze deels aan gaan uitmaken van de eeuwenoude kahal Adonai, dat is iets wat God beloofd heeft aan Israël. Dat is wat.
Het feit dat wij er zijn, dat wij in God geloven, dat wij proberen te wandelen met God, dat wij leven door de heilige geest, dat heeft God eeuwen voordat wij in beeld kwamen.
Heeft God al beloofd aan Israël? Niet in het minst door de grote daden die God in Israël deed. Ik moet denken aan een stukje uit de geschiedenis, dat de Keurvorst van Pruisen gevraagd werd, heeft u ook een godsbewijs? En dat er gezegd wordt, er is maar één bewijs dat God bestaat en dat zijn de Joden.
In de Psalmen zie je bijvoorbeeld Psalmen 2.
Dan moet ik nu even aan denken dat het tijd is om Israël genadigd te zijn. De knechten hebben deernis met het puin van de muren van Jeruzalem. Als God dan opstaat en als hij zijn wonderen doet in Israël, dan zien dat de volkeren. En die zullen dan, als ze zien wat de God van Israël doet in het midden van zijn volk, zullen ze de heren gaan vrezen en eren.
Dat wij erbij komen, dat heeft God aan Israël beloofd.
[00:07:12] Speaker B: En dat maakt je nederig ten opzichte van het Joodse volk.
[00:07:18] Speaker A: Van hen zijn de aardsvaders. Abraham, Isaac en Jacob.
Dat is geen verleden tijd, die reëzen zichzelf. God is geen god van doden. Ze leven! Ze leven!
Abraham, Isaac en Jacob.
En je moet eens kijken dat God een heleboel dingen doet omwille van wat hij ooit beloofd heeft, eeuwen geleden aan deze aardsvaders.
Paulus noemt het de saprijke wortel van de olijfboom. Dat zijn de aardsvaders.
Omwille van de vaderen, omdat God gedacht heeft aan Abraham en wat hij Abraham beloofd heeft, is de Messias gekomen, zingt Maria in haar loflied.
En Paulus zal aan het einde van Romeinen zeggen dat heel Israël geliefden van God zijn naar de verkiezing om willen van de vaderen.
Je zou kunnen zeggen dat bij de aardsvaders en de relatie tussen God en Abraham en Isaac en Jacob als het ware de basis ligt van de verlossing van Israël en van de verlossing van heel de wereld. Want dat belooft God aan Abraham. Abraham, in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
Aardsvaders zijn geen stukje geschiedenis.
zoals wij Willem van Oranje hebben.
Ze zijn levende werkelijkheden en ik kan me daar geen voorstelling van geven, maar ik denk dat ze dichtbij God in de hemel zijn en dat God ze ziet en dat hij met ze spreekt en dat omwille van de vaderen God zijn weggaat en trouw ook is aan Israël en waakt over Israël en waakt over Jeruzalem.
Dat hij niks van wat hij beloofd heeft terugtrekt.
Abraham, Isaac en Jacob zijn onder de heiligen die dichtst bij hem zijn.
En dan ten slotte van hen is de Messias, het vlees.
Lukas legt daar de nadruk op. Hij vertelt als enige dat Jezus ook besneden is. Dat hebben de anderen niet, waarschijnlijk omdat het zo vanzelfsprekend is dat Jezus als kind uit Israël besneden wordt.
Maar Lukas heeft dat wel. Hij legt daar de vinger bij. Niet vergeten, hij is besneden.
En als Gabriel zijn komst aankondigt aan Maria, dan zegt hij deze zal groot zijn, hij zal zoon van de Allerhoogste genoemd worden, dat is die ook.
God zal hem de troon van zijn vader David geven en hij zal koning zijn over Jacob.
En met Jacob bedoelt hij dan niet Judah, maar Jacob, dus alle stammen van Israël tot in eeuwigheid. Maar hij is ook de zoon van Maria.
En hij is ook de zoon van David.
Hij is ook de zoon van Juda.
Hij is ook de zoon van Abraham.
Hij is als het ware door de geslachten van Israël komende, wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Hij is de zoon van God, maar hij is ook een Jood.
Besneden uit de stam van Juda.
Dat betekent nogal wat.
Misschien is het spreken over Jezus als Jood voor christenen Nou, moeilijker of staat het ons verder weg dan te spreken over Jezus als de Zoon van God? Want wat betekent dat nou? Dat betekent dus dat een Jood mijn zonde gedragen heeft.
Dat een Jood het lam van God is, het lam van God.
Dat een Jood de gaven van het Nieuwe Verbond heeft uitgedeeld en dat Nieuwe Verbond ook bekrachtigd heeft door zijn bloed.
De Heer Jezus die deelt als de Verheerlijkte aan de zijde van de Vader, deelt die op Pinksteren, deelt die de gaven van de Heilige Geest uit aan zijn volk. Het is een jood die aan de rechterhand van God staat. Het is een jood die terugkomt aan het hoofd van de hemelse legermachten.
En hij gaat terug naar Jeruzalem.
Dat is geen folklore dat die besneden is, dat is niet iets wat je weg kunt schuiven waarvan je zegt dat doet er uiteindelijk niet toe. Dat doet er wel toe. Anders was het niet zo uitvoerig door een van de Evangelisten en door Johannes trouwens ook onder de aandacht gebracht. Als wij met Paulus te spreken, als wij samen groeien in de doop met Jezus Christus, als we één plant worden, dan word ik dus één plant met een Jood.
Dat is wat.
Dat laatste dat uit hen de Christus is, is maar niet zo snel eenmaal gelopen. Het had net zo goed uit Italië kunnen komen of uit Rome kunnen komen. Nee, zo is het niet.
Hij is degene die beloofd is en die door de generaties van het volk van God, het staat van Abram, als het ware gekomen is. Hem verwachten wij.
Acht voorrechten.
Zij zijn kinderen van God.
God woont in hun midden.
Van hen zijn de verbonden, en de eredienst, en de belofte, en de geboden, en de aartsvaders, en de heiland van
[00:12:40] Speaker B: de wereld komt uit hun woord.
[00:12:45] Speaker A: En dan zegt Spouders, en het is niet mogelijk dat het woord van God vervallen zou.
En er staat vervolgens, want niet alle die van Israël afstammen zijn van Israël.
Iemand die een beetje taalgevoel heeft, die snapt dat deze regel niet logisch is.
Want je hoort ook helemaal niet, want niet alle die van Israël afstammen zijn Israël. Dat hoor je niet. Je hoort iets anders. Je hoort, maar... Het is niet mogelijk dat het woord van God vervallen zou, maar...
Niet alle die van Israël afstammen zijn Israël. Dat is wat je hoort, maar dat staat er niet. Er staat want.
Wat hij nu gaat zeggen, dat is als het ware een onderstreping, een onderbouwing. Dat alles wat hij tot nu toe gezegd heeft geldt. En dat Gods woord niet vervallen is.
Hoe wil je dat dan lezen?
Hoe zou je dat moeten lezen?
Je moet zich voorstellen als die brief binnenkomt in Rome is dat niet zo'n brief zoals het hier staat met stukjes witte tussen en met woorden en met comma's en met uitroeptekens en met vraagtekens
[00:13:53] Speaker B: en met dubbele punten en zo en
[00:13:56] Speaker A: met hoofdletters en kleine letters. Het is op perkement geschreven in het Grieks met alleen maar hoofdletters zonder stukjes tussen de woorden. Het is aan één stuk geschreven dat noemen we de voortdurende Lectio Continua, zonder uitkoeptekens, zonder punten, zonder comma's. Die moet je er zelf bij denken.
En Faber, die brief... gekregen heeft van Paulus. En Paulus heeft hem ook voorgedragen. Die gaat naar Rome en die draagt hem daar ook voor, omdat de meeste mensen niet kunnen lezen en schrijven. Twee procent van de bevolking kan het maar. En die weet precies wat ze zeggen moet. Maar ze moet niet zeggen, want niet alles wat, met andere woorden, al Gods beloften blijven staan. Ja hoor, er is geen woord van gelogen. Er is geen woord wat u laat vallen. Alleen God heeft de bordjes verhangen.
Dat is Gogem.
Alles wat God beloofd heeft, dat gaat door.
Alleen, alleen voor dat stukje van Israël die net zo zijn als wij.
Ja, daar kunnen de heidense christenen als ze moeite hebben met Israël wel mee leven.
Maar dat staat er niet.
Dan klopt het ook helemaal niet, want dan zegt Paulus hier dat maar een deel van Israël nog maar Israël is en dat de rest is afgevallen vanwege hun ongeloof.
En dan in de Romeinen Elf zegt hij dat heel Israël behouden wordt.
Daarmee bedoelt hij trouwens niet alle individuele israelieten, alsof je maar wat aan kan doen.
Nee, hij zegt aan het einde van, er is een deel die wordt tot de eerstelingen, die hebben het gezien, die hebben zich voorbereid op het koninkrijk, die hebben de tijden doorzien, die lopen voor zeg maar.
Daar horen ook heidenen bij, die waren nog niet eens aan de start verschenen, maar een deel van Israël is gestruikeld over het evangelie en de anderen lopen door, dat zijn eerstelingen, maar ze zijn niet de enige. En als die nou binnen zijn, dan komt dat andere deel ook binnen.
Dat deel waarvan Paulus hier zou zeggen, ja die zijn geen Israël meer. Maar dat bedoelt hij helemaal niet.
Wat hij hier wil zeggen is, want is het niet zo dat heel Israël, Israël is?
En dan snap je de rest ook. Dan zegt hij, dat was bij Abraham niet zo.
Het ging via Isaac en niet via Israël. Dat wil trouwens niet zeggen dat Israël uiteindelijk geen deel heeft aan de belofte of aan de zegen.
Maar dat is een andere zaak. Bij Rebecca was het zelfs zo dat de kinderen nog niet eens geboren waren toen God zei het gaat via Jacob en niet via Ezo. Maar bij Israël zijn ze toch allemaal Israël gebleven.
Wie van de zonen van Israël, wie van de zonen van Jacob is er nou uitgevallen? Toch niet één?
Dan snap je dat ook.
Heel Israël blijft erbij en dan snap je die volgende tekst waar het in uitloopt ook.
Dat Paulus zegt, het gaat er dus ook niet om of je loopt, dus het beeld van die wetloop waar ik het net eigenlijk over had. Het gaat er niet om of je wil, het gaat erom of God zich over je ontvermt.
En dan spreekt hij vervolgens over dat de pottenbakker mag doen met de klei wat hij wil. Dat zie je aan de farao, maar nou is een deel van Israël niet eens de farao geworden. Hij wil alleen maar zeggen, als God in zijn liefde en in zijn trouw ook dat deel wat het nu niet begrijpt, toch maakt tot voorwerpen van zijn eer uiteindelijk, dan moet je niet gaan sputteren, dat bepaalt hij wel.
Wie heeft God ooit iets gegeven waarvoor God iets terug moet ontvangen? Dat is een enorm belangrijke tekst in het gedeelte.
Als Padus dat zegt aan het einde van Romeinen 11, dan zegt hij ook al geloof je, ook al heb je voor Jezus gekozen op donderdagavond om half acht, ook al ga je daar prat op, ook al denk je dat dat het is waardoor je behouden wordt, vergeet het maar.
Je wordt behouden door de ontferming van God. Wie heeft God ooit iets gegeven waarvoor die iets terug moet ontvangen?
[00:18:11] Speaker B: Uit hem en door hem en tot hem zijn alle.
[00:18:14] Speaker A: Jullie zijn erbij gekomen niet omdat jullie Jezus gevonden hebben, maar omdat Jezus jullie gevonden heeft. En zo zal het ook met Israël gelden. En dus die beloften, die beloften waar ik het over, of die voorrechten waar ik het over heb, die gelden nog steeds. En die gelden voor heel Israël. En niet voor dat stukje wat net zo is als jullie.
En dat God dat zo doet, Dat is godszaak. Eigenlijk heeft hij met jullie het ook zo gedaan.
Jullie hadden God nooit gevonden als hij jullie niet gevonden had. En jullie geloof, God hoeft maar even, even voor een moment zijn heilige geest terug te trekken. En of dat hele geloof van jullie stort in elkaar, dan heb je niks meer om prat op te gaan. Heb je niks meer om te zeggen wij zijn het.
Alles wat je bent is door hem.
Ze zijn wel vijanden van het evangelie.
[00:19:14] Speaker B: Niet van God, zoals sommige vertalingen hebben. Het woordje van God staat er niet eens.
[00:19:18] Speaker A: Maar dat is de willen van jullie.
[00:19:19] Speaker B: Zodat het bij jullie zou komen. Zodat jullie ook gevonden werden. Het licht heeft de wereld in gescheden.
Als jullie binnen zijn, komen de anderen ook binnen.
Komen de anderen ook binnen, want zij zijn israelieten.
En zij zijn kinderen.
En van hen zijn de beloften en de verbonden en de erediensten en de geboden en de aardsvaders en de heerlijkheid van God.
En van hen is de Christus.
Het is onmogelijk dat het woord van God vervallen zou.
Het is voor jullie ook zo.
Gaan we door met geloven. God is trouw aan Israël en aan jullie.
En het mooiste wat je kunt doen is samen met Israël, met al je gebreken, met al je tekortkomen, met alles wat je nog niet weet, met de verkeerde afslag die wij soms als christenen genomen hebben, dat we samen dicht bij Israël gaan staan en samen de naam van de God van Israël gaan verhogen.
Zodat God kan zeggen dat hij troont op de lofzangen van Israël en van al die mensen uit de volkeren die hij daarbij gevoegd heeft. Dank u voor uw aandacht. Laten we samen danken.
Het gaat er niet om of ik loop.
Het gaat er niet om of ik wil.
Het gaat erom of u zich over mij ontfermt.
Heel goed, zo geldt het in eerste plaats voor Israël. Het gaat er niet om hoe ze lopen.
Het gaat er niet om of ze het willen.
Het gaat erom of u zich ontfermt over Israël.
En u heet ook zo de ontfermer van Israël. U sluiert nog slaapt.
U houdt vast.
U draagt ons, u draagt Israël door de tijden heen en ze zullen er zijn.
U gunt het de tegenstander niet.
Om aan het einde te zeggen, ja
[00:21:15] Speaker A: maar de helft is afgevallen.
Nee.
[00:21:19] Speaker B: Zo zal het zijn.
[00:21:21] Speaker A: De troon van David zal zijn in Jeruzalem.
[00:21:24] Speaker B: En u bent bezig om uw volk terug te brengen.
[00:21:27] Speaker A: En u zegt tegen ons, jullie zijn het die ze thuis brengen.
[00:21:31] Speaker B: Jullie zijn het die ze dragen.
Zo stonden we stil eigenlijk bij uw trouw aan uw volk.
Ze zijn het nog steeds, uw kinderen.
Van hen zijn nog steeds de beloften en de verbonden.
Die zijn niet op ons overgegaan.
Die heeft niet een stukje van Israël de schoot van de kerk ingedragen om ze daar achter te laten. Daar is niks van.
Wij komen er nederig bij staan. En we danken u dat we dat mogen doen door het geloof in uw Zoon.
En we weten dat we straks zullen optrekken naar Jeruzalem.
En dat we daar, in de tempel die u zult bouwen, Op de plek, op de navel van de aarde zullen we samen met uw volk uw eren en prijzen en u aanbieden. We hopen dat dat moment spoedig zal aanbreken. Dat u het verkeerde wat er misschien was wegneemt en wilt u het goede zegenen tot opbouw van ons leven met u. Dat bidden we u in Jezus' naam.
Zegen over Israël.
Amen.